Herinneringen aan Berlicum
Korte verhalen door Narus van Balkum

E-mail de auteur

Sterappels / De laatste haan / Dat wordt schillen eten / Een zij gerookt spek / Doedelen / Rijstebrij voor mij / Tassen zonder oor / Mijn nieuw missieprentje / Niet zaniken, jij!

copyrights Narus van Balkum sedert 1998

Niet zaniken, jij!
Je hebt de oorlog niet meegemaakt.

Oorspronkelijk geschreven in het Berlicums dialect en gepubliceerd in “Gouwe tije?”,
met als titel "Gè wit alzeleeve wé, gè. Ge het d'n orlog nie meegemakt".
Voor een breder publiek hier herschreven in het Nederlands.

Berlicum, Beekveld, begin jaren 50. Soms is een gelukzalig gevoel iets dat je levenslang verbindt aan een speciale gebeurtenis. Ik ging nog maar pas naar de lagere school. Thuis was ik zo fijn aan het spelen dat ik vergat naar school te lopen. Bij mijn vader achter op de fiets werd ik nagebracht.
Ik leunde tegen zijn blauwe kiel die rook naar koeien, zweet en tabak. Bij zo’n sterke man hoefde ik nergens bang voor te zijn, zelfs niet als de meester boos zou worden. Dat bijzonder veilig gevoel is me altijd bij gebleven. Na school rende ik naar huis, want mijn vader was die dag nog jarig ook.

Hij had, een paar jaar geleden, met steun van de “wederopbouw”, een nieuw boerderijtje gebouwd op Beekveld. Dus we zaten er, zeker voor die tijd, heel keurig bij. Bij gelegenheid liet ie trots het voorhuis zien, dus vandaag ook aan de verjaardagsvisite. Zo viel te horen: “Och wat mooi toch allemaal, overal elektrisch licht en alle leidingen zitten in de muur”. Hij liet ook onze kelder zien. “Ja, die is goed gebouwd. ‘n Goeie schuilkelder ook, voor het geval dat. Kijk, ’t kelderraampje klapt naar binnen. Zo kun je rap naar buiten als ze de boel in brand zouden schieten”. En toen werd mijn vader stil, hij vergat ’t kelderraampje te sluiten en schuifelde zwijgend de trap op. Plotseling drong het tot me door dat die grote sterke man, bij wie ik me zo veilig voelde, zelf toch ook ooit angstig geweest moest zijn.

Hij sprak bijna nooit over de oorlog waar wij kinderen bij waren. Bij hem thuis hadden ze Schijndelse evacuees in de kelder gehad. Tegenover was een gezin opgepakt door onze eigen politie, dat had hij zelf gezien door het zolderraampje. Wat er met hen verder was gebeurd werd ons kinderen nooit verteld. Thuis waren ze bij de bevrijding afgebrand. Dat was alles wat ik wist. Voor mij, als kind, was het allemaal héél lang geleden. Daar kon je nu toch geen last meer van hebben, zo dacht ik.

Boven aangekomen was het feest. Dat was royaal voorbereid met wat we zelf voorhanden hadden. Want we keuterboerden z’n best met van alles en nog wat. Dat was nodig ook, want we waren met z’n twaalven, die nog komen zouden alvast meegeteld. We hadden twee hofjes met allerhande groentes, kersenbomen, rode en zwarte bessen, sterappeltjes, bellefleuren, pruimpjes, juttepeertjes en kruisbessen. En ook koeien, kippen en varkens. We hadden misschien niet altijd geld voor nieuwe schoenen of kleren, maar genoeg op ons bord. En mijn moeder, van burgerkomaf, kookte erg graag en maakte alles zoveel mogelijk in. De weckflessen met fruit, groente en de slacht stonden keurig op een rijtje op schappen in de kelder.

Daags voor het feest was mijn vader met paard en wagen vanaf de Boerenbond bij Hein de Brouwer langs geweest voor een paar kratjes bier, ’n liter brandewijn en zo nog het een en ander. Hij dekte het spul af met jute zakken. “Tegen het oog van het kerkgaand volk. De mensen mochten eens denken dat we het te goed hebben”.
We hadden een heel grote familie, vooral van moeders kant. Maar we hadden eieren genoeg, dus had ons moeder op ’t gasstel in de wonderpan 'n cake of zes gebakken. En ze had wat weckflessen fruit bij elkaar gegooid in ’n emaillen emmer en daar die liter brandewijn bij gedaan. Dat moest voor de betere smaak een nacht trekken. “Bowl” noemde ze dat spul en dat klonk heel modern.

’t Feest kwam goed op gang. Na de koffie met dikke plakken eiercake werd met 'n eerste drinkliedje aangegeven dat 't tijd werd voor iets anders. Moeder begon de mannen bier of een borreltje in te schenken en commandeerde ondertussen. “Jongen, schep met de pollepel even wat in dit pannetje uit die emmer in de kelder”. Die emmer vond ik onder 't open kelderraampje. Meteen dat ik erin keek vloog ik weer naar boven. “Moeder, dat kan echt niet, kom zelf maar kijken en ik trok haar mee aan haar mouwen”. “Kijk, daar drijft ie” wees ik naar 'n groen ding met lange uitgestrekte poten. “Die grote kikker is door het raampje gesprongen en in je bowl hartstikke verdronken. Dat kun je toch niet meer………..”

“Niet zaniken jij! Je hebt de oorlog niet meegemaakt! Denk je soms dat ik al dat spul voor de prins heb gemaakt”. En ze viste die dooie kikker met haar vingers uit de bowl en gooide hem door het open kelderraampje naar buiten. Ze schepte kordaat het pannetje vol. En je maakt geen stampei daar boven, dus je houdt je mond, heb je 't goed begrepen! Wat niet weet dat niet deert!”

't Pannetje werd boven midden op tafel gezet en de bowl met een juslepeltje over de glazen verdeeld. De opgetutte burgertantes lebberden met verrukte gezichten aan het spul. Ze namen slokjes en af en toe een klein hapje met een lepeltje en spuugden af en toe netjes 'n pit terug op een schoteltje. “Da's echt verrukkelijk, Cor!” en ze lieten het een na het ander glaasje volgooien. “Allemaal uit onze eigen hof. We hebben het toch maar weer goed, niet dan?” vermeldde mijn moeder een beetje walmend van trots. En ze lebberde met een onnozel gezicht gewoon mee.

“Jongen, haal nog 's zo'n pannetje”.

=================================

Oorspronkelijk geschreven in het Berlicums dialect door Narus van Balkum, gepubliceerd in “Gouwe tije” en daarna voor een groter publiek door de auteur vrij vertaald naar het Nederlands.

andere herinneringen aan Berlicum:
Sterappels / De laatste haan / Dat wordt schillen eten / Een zij gerookt spek / Doedelen / Rijstebrij voor mij / Tassen zonder oor / Mijn nieuw missieprentje / Niet zaniken, jij!

Aanbevolen boek: Gouwe tije van Cor Swanenberg en vele anderen